Erik Andriesse werd in de jaren tachtig bekend met zijn expressieve schilderijen en tekeningen van bloemen, schedels en dierenskeletten. Beeldende kunst was voor hem een levensvoorwaarde, een vanzelfsprekendheid zoals slapen en eten dat zijn. Hij heeft honderden studies van schedels gemaakt en al in 1986 exposeerde hij in museum Fodor in Amsterdam een groep van 25 schedels die door kleur, vorm en compositie allemaal een ander aanzicht hebben. Het is alsof hij de anonimiteit van de dood wilde tegengaan door alle schedels individuele trekken te geven en hen zo iets van het leven terug te geven. Met zijn op vergankelijkheid wijzende onderwerpen lijkt geen verhaal te willen vertellen. Dit in tegenstelling tot zijn collega's in de jaren tachtig, die eveneens figuratief werkten maar juist veel aandacht gaven aan symboliek en citaten. Erik Andriesse wees elk etiket van symbolisme van de hand. Bij hem vormen de stadia van bloei en verval geen vanitas-symboliek en tonen zelfs schedels en skeletten geen macabere doodsgrijns, maar getuigen ze veel meer van een vrolijke relativering van onze vergankelijkheid. Hoogstens kunnen we zeggen, dat hij zijn onderwerpen niet alleen het voertuig van zijn schilderen liet zijn, maar ook dragers van zijn intellectuele en emotionele interesses. Ze stoelen niet op een verhaal, hebben geen uitgesproken literaire of kunsthistorische achtergrond maar weten door Andriesses monomane interesse, schilderkunstige techniek en zijn gevoel voor theatraliteit de kijker te overtuigen dat zijn bloemen en skeletten een tweede leven zijn begonnen. In zijn ontwerp voor het Fodor servies is zijn belangstelling voor schedels en de natuur duidelijk terug te vinden.